Subnavigatie

Heeft u vragen?

Vragen bij het aanvragen van kwekersrecht of toelating? U kunt ons e-mailen: teamsupport@rasraad.nl

of bellen: +31 (0)71 332 6137

    

Raad voor plantenrassen

Bezoekadres: 

Sotaweg 22, 2371 GD Roelofarendsveen

 

Postadres:

Postbus 14, 2370 AA Roelofarendsveen

Ga naar de contactpagina

Algemene inlevereisen

Lees hier de algemene eisen aan identiteitsmateriaal voor DUS-onderzoek.

Kiemkracht van zaden

De kiemkracht van een identiteitsmonster ten behoeve van DUS-onderzoek moet zodanig zijn dat er bij het zaaien van een kleine overmaat zaad voldoende vitale planten opkomen om te voldoen aan eisen ten aanzien van de proefgrootte, zoals genoemd in protocollen (CPVO-protocollen, UPOV-richtlijnen, nationale protocollen). De expressie van de kenmerken mag niet beïnvloed worden door een verminderde vitaliteit. Voor sommige (sier-)gewassen is een minimum kiemkracht bepaald, zie daarvoor de tabel met inlevereisen.

In geval van ouderlijnen kan een lagere kiemkracht worden toegestaan. Als een opkomst van minder dan 70% wordt verwacht, kan besloten worden een beperkte hoeveelheid extra zaden te zaaien. De planten moeten dan wel voldoende vitaal zijn.

Gezondheid en ontsmetting van zaden

Identiteitsmateriaal moet op het tijdstip van ontvangst vrij van ziekten of plagen zijn, in goede toestand verkeren en geschikt zijn voor onderzoek en bewaring.

In het algemeen mag het zaad geen enkele chemische of andere behandeling hebben ondergaan, tenzij dit na overleg wordt toegestaan of dit wordt vereist. Uitzondering daarop is behandeling met een niet-systemisch werkend fungicide; dat is voor de meeste gewassen - maar niet voor sla, boon en erwt - toegestaan. Een tweede uitzondering betreft priming: dat is toegestaan voor tomaat onderstam en voor aubergine, mits verpakt in kleine verpakkingen. U moet vanzelfsprekend de behandeling specificeren op de verpakking. Ook voorbehandelingen van zaad die blijkens fytosanitaire richtlijnen vereist zijn, zoals behandeling met NaCl, HCl of NaOCl, zijn toegestaan.

Zaad mag nooit gepilleerd of geprimed zijn (met uitzondering van tomaat onderstam en aubergine, zie hierboven) en nooit behandeld zijn met insecticides, daar dit de beoordeling van zaadkenmerken kan verhinderen, invloed kan hebben op de kiemkracht en daarmee op de ontwikkeling van het gewas, invloed kan hebben op de bewaarbaarheid van het zaad en invloed kan hebben op het resultaat van (een deel van) het DUS-onderzoek, zoals bij resistentietoetsen. Behandeling met een systemisch werkend fungicide is niet-toegestaan, in verband met de invloed op de uitkomst van resistentietoetsen. In specifieke gevallen kan, na overleg, voor systemisch werkende fungicides een uitzondering worden gemaakt en toestemming verleend.

Identiteitsmonsters waarvan in het kader van het onderzoek bij ontvangst visueel wordt geconstateerd dat zij niet aan de hierboven genoemde eisen voldoen, worden geacht niet te zijn ontvangen. Daarnaast kunnen per gewas extra eisen aan het in te leveren materiaal zijn gesteld, zoals aangegeven in het overzicht.

Gezondheid van planten

Identiteitsmateriaal moet op het tijdstip van ontvangst vrij van ziekten of plagen zijn, in goede toestand verkeren en geschikt zijn voor onderzoek en bewaring. Het  materiaal mag geen enkele chemische of andere behandeling hebben ondergaan, tenzij dit na overleg wordt toegestaan of dit wordt vereist.

Dit betekent ook dat het materiaal geen na-ijleffecten mag vertonen van een behandeling met groeiregulatoren, die gebruikt worden bij de teelt en de vermeerdering, omdat daardoor de uitwendige verschijningsvorm wordt beïnvloed. Als het noodzakelijk is materiaal door te telen om de verstorende invloed van dergelijke behandelingen kwijt te raken, zullen de kosten daarvoor in rekening worden gebracht.

Bij gewassen, waarbij virusziekten kunnen voorkomen die de habitus (uitwendige verschijningsvorm) van de planten zodanig kunnen beïnvloeden, dat niet meer duidelijk is of de habitus uitsluitend door de erfelijke aanleg (genotype) van de plant dan wel ook door het virus wordt bepaald, wordt in het kader van het identiteitsonderzoek door de onderzoekende instelling routinematig materiaal getoetst aan het begin van het onderzoek. Daarbij mogen de gestelde normen niet worden overschreden. Het overzicht met inzendeisen vermeldt deze normen bij de betreffende gewassen. Bij een negatief toetsresultaat wordt het onderzoek afgebroken, maar blijven de onderzoekskosten verschuldigd. Materiaal waarvan pas later, tijdens de teelt, blijkt, dat het niet virusvrij is of een ongewenste behandeling heeft ondergaan, kan aanleiding geven tot afwijzing van de aanvraag.

Bij gewassen die vatbaar zijn voor quarantaineziekten, moet het te onderzoeken materiaal vrij zijn van dergelijke ziekten. De aanvrager moet daarom materiaal inleveren, waarvan aantoonbaar is vastgesteld, dat het vrij van quarantaineziekten is (bijvoorbeeld door middel van een PD verklaring).

Identiteitsmonsters waarvan in het kader van het onderzoek bij ontvangst visueel wordt geconstateerd dat zij niet aan de hierboven genoemde eisen voldoen, worden geacht niet te zijn ontvangen. Daarnaast kunnen per gewas extra eisen aan het in te leveren materiaal zijn gesteld, zoals aangegeven in het overzicht.

Gezondheid van aardappelen

Voor het gewas aardappel worden naast algemene eisen aan de gezondheid (zoals genoemd bij gezondheid van planten) speciale eisen gesteld ten aanzien van virusziekten. Als virusziekten leiden tot duidelijke symptomen in de te onderzoeken planten, heeft de aanwezigheid van virus nadelige gevolgen voor de identiteitsbepaling. Per veldje van 40 planten mogen niet meer dan 2 duidelijk viruszieke planten voorkomen. Bij een groter aantal viruszieke planten wordt het te velde staande materiaal vernietigd, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de proef te bekijken. Een te hoog aantal viruszieke planten leidt tot een afwijzing van de aanvraag.

Alle ingezonden monsters moeten vrij zijn van bruinrot, ringrot en overige quarantaineziekten (aardappelspindelknolviroïde, Zuid-Amerikaanse virussen en niet-Europese stammen van inheemse virussen). Het in te zenden identiteitsmateriaal dient daarom te worden voorzien van een fytosanitaire verklaring (NAK-certificaat of plantenpaspoort) waaruit blijkt dat het materiaal vrij is van quarantaineziekten.

Materiaal dat niet is voorzien van genoemd NAK-certificaat of plantenpaspoort zal niet in ontvangst worden genomen en de aanvraag zal worden beschouwd als te zijn ingetrokken.

Algemeen

  1. De in de overzichten gegeven inzendeisen per gewas zijn te beschouwen als een algemene richtlijn. Naktuinbouw behoudt zich het recht voor identiteitsmateriaal in een andere dan de aangegeven periode, hoeveelheid of kwaliteit op te vragen, dan wel op een andere locatie te laten inleveren.
  2. Als het materiaal op de uiterste inleverdatum zichtbaar niet voldoet aan de eisen ten aanzien van aantal, kwaliteit of gezondheid wordt het beschouwd als niet in ontvangst genomen en de aanvraag zal worden beschouwd als te zijn ingetrokken.
  3. De inzending van het identiteitsmateriaal moet vrij van kosten (zoals vracht-, porti- en douanekosten) voor de ontvanger geschieden. Eventuele kosten worden door de ontvanger doorbelast aan de aanvrager. Bij de inzending van identiteitsmateriaal van en naar het buitenland moet tevens voldaan zijn aan alle douanetechnische en fytosanitaire formaliteiten.
  4. Indien in te leveren plantmateriaal voor het technisch onderzoek valt onder fytosanitaire importbeperkingen die niet verenigbaar zijn met de inzendeisen van de Raad voor plantenrassen, dan wordt de aanmelder verzocht om liefst per omgaande en niet later dan de uiterste inzenddatum, contact op te nemen met het Bureau voor Plantenrassen. De Raad voor plantenrassen kan dan mogelijk adviseren over een alternatief.

Inzenddatum en locatie

  1. Een aanvraag tot verlening van kwekersrecht of toelating tot de nationale lijst kan op ieder gewenst moment worden ingediend (papieren en betaling). In de overzichten met inzendeisen staat echter in een groot aantal gevallen een uiterste aanvraagdatum vermeld. Voor aanvragen die na die datum zijn ontvangen, kan niet worden gegarandeerd dat het ras in de eerstvolgende groeicyclus wordt onderzocht. Als de aanvraag voor de genoemde aanvraagdatum is ingediend moet het bijbehorende identiteitsmateriaal voor de eerstvolgende uiterste inleverdatum worden ingeleverd, dus niet een vol jaar later. Als niet voor die datum een monster wordt ingeleverd dat voldoet aan de inlevereisen, wordt de aanvraag van rechtswege ingetrokken. 
  2. Materiaal moet worden ingeleverd op de in het overzicht aangegeven locatie en ter attentie van de juiste persoon of afdeling; elders ingeleverd materiaal kan als niet ingeleverd worden beschouwd.

Plantstadium, verpakking en labeling

  1. Het materiaal moet duidelijk gelabeld zijn. Op het label moet tenminste worden vermeld: de gewasnaam, de voorlopige aanduiding zoals die op het aanvraagformulier is vermeld, het toegekende aanvraagnummer en voor zaden het partijnummer. Het toegekende aanvraagnummer is niet nodig indien het monster direct met de aanvraagformulieren wordt meegestuurd. Dat kan alleen als het adres waar de papieren naartoe gestuurd moeten worden en de locatie voor het monster (zoals vermeld in het overzicht) gelijk zijn. Het label moet op deugdelijke wijze aan of op de verpakking gehecht of daarop gedrukt zijn. Vegetatief materiaal: aanvraagnummer, voorlopige aanduiding, naam en/of bedrijfsgegevens (zoals bedrijfsnaam, adres etc.) mogen niet op de pot en/of het gewas worden geschreven/gedrukt.
  2. De verpakking moet zijn aangepast aan de aard en de hoeveelheid van het identiteitsmateriaal en moet zodanig zijn gesloten dat zonder verbreking van de sluiting of beschadiging van de verpakking niets aan de inhoud kan worden toegevoegd of daarvan worden afgenomen.
  3. Bij bloeiende gewassen mag het materiaal nog niet bloeien of gebloeid hebben, tenzij anders is vermeld.
  4. Leverbare jonge planten zijn planten die geschikt zijn om in het eerste jaar van onderzoek alle kenmerken te laten zien. 
  5. Materiaal voor de buitenteelt moet geschikt zijn om direct buiten uit te planten; materiaal dat hieraan niet voldoet, wordt geacht niet te zijn ontvangen.
  6. Bij alle potplanten geldt de eis (tenzij anders vermeld) dat planten niet met meerdere bijeen in een pot worden aangeleverd, ook niet wanneer dat in de praktijk wel het gebruik is. Dus per pot eenlingen inleveren. Wanneer toch meerdere planten per pot worden ingeleverd moeten even veel potten als het vereiste aantal planten worden ingeleverd.